Kan Sven naar huis?
Kinderrechter Meester Irene Hinfelaar van Rechtbank Breda vertelt in dit dagboek voor het DocBlog ‘Mensjesrechten’ welke zaken zij tegenkomt en welke beslissingen ze neemt. Deze keer moet ze een beslissing nemen over de bestemming van Sven, een jongen met ernstige gedragsproblemen. Hij is van een strafrechtelijke jeugdinrichting (JJI) overgeplaatst naar een inrichting voor gesloten jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg wil hem hier houden. Sven vindt het er vreselijk en wil graag naar huis.
Op de civiele kinderzitting behandel ik vandaag de zaak van Sven.
Sven is bijna twee jaar geleden vanwege ernstige gedragsproblemen uit huis geplaatst. Er is door de kinderrechter destijds een “machtiging gesloten jeugdzorg” gegeven. Dat betekent dat Sven naar een gesloten instelling zou gaan, om daar gedwongen behandeld te worden.
Sinds 1 januari 2008 is dit een nieuw iets, bedoeld om deze jongeren niet tussen de strafrechtelijk veroordeelde jongeren te laten zitten. Alleen bleek na 1 januari 2008 al snel dat er niet genoeg behandelplaatsen beschikbaar waren, en daarom heeft de minister toestemming gegeven om tijdelijk de uitvoering van zo’n machtiging in een strafrechtelijke jeugdinrichting (een JJI) uit te voeren. De minister heeft nu besloten dat al deze jongeren vanaf 1 januari 2010 uit de JJI’s moeten worden doorgeplaatst naar een “instelling voor gesloten jeugdzorg”.
Sven zat in zo’n JJI, al bijna twee jaar. Hij heeft er een goede ontwikkeling doorgemaakt en daarom had hij er al veel vrijheden verworven. Onder andere mocht hij al best vaak op weekend-verlof, lekker gewoon even thuis bij zijn moeder. Als hij zo door zou gaan, is een tijdje geleden tegen hem gezegd, zal zijn behandeling slechts nog enkele maanden duren, en dan is hij klaar.
De machtiging van Sven loopt af, en daarom heeft Bureau Jeugdzorg bij de rechtbank een verzoek ingediend om verlenging daarvan, omdat nog een aantal maanden nodig is voor de behandeling.
Dit verzoek krijg ik voor mij op de zitting.
Sven komt binnen en is duidelijk boos en verdrietig, niet alleen omdat hij eigenlijk naar huis wil, maar ook omdat hij voor die laatste maanden is doorgeplaatst naar een “instelling voor gesloten jeugdzorg”. Hij heeft daar al zijn vrijheden moeten opgeven, en heeft het gevoel “terug te zijn bij af”. Het is een heel streng instituut waar hij nu zit, waar hij in uniforme kleding de hele dag moet rondlopen. “Ik moest zelfs met die kou door een vijver lopen !!!! Waar is dit nu allemaal nog goed voor ?!”, roept hij tussen zijn tranen door. Zijn motivatie is gedaald tot nul en hij wil maar één ding: terug naar huis, naar zijn moeder.
Zijn moeder, ook op de zitting aanwezig, geeft aan dat zij ook graag wil dat Sven naar huis komt en dat zij bereid is om alle hulp die zij daarbij in de thuissituatie kunnen krijgen, te aanvaarden.
Ik vraag aan de vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg wat die hiervan vindt. Dat antwoord is helder: Sven zal de komende maanden moeten blijven in de instelling waar hij nu verblijft. Op mijn vraag of de mogelijkheid bestaat dat Sven mét ambulante hulp naar huis terugkeert, krijg ik eigenlijk geen antwoord.
Na de zitting moet ik een beslissing nemen en dat valt me niet gemakkelijk. Kunnen Sven en zijn moeder het aan als Sven naar huis komt? Wordt hij dan in zijn verdere ontwikkeling bedreigd? Kan Sven het aan als ik besluit dat hij nog een half jaar blijft waar hij nu is? Waar is deze jongen het meest mee geholpen en hoe houden we hem gemotiveerd?
Na een lange afweging, besluit ik toch dat Sven een kans moet krijgen om te laten zien dat hij het thuis kan. Ik wijs het verzoek van Bureau Jeugdzorg om verlenging van de machtiging dus af.





















Tja, we hebben het in NL zo geregeld, dat de kinderrechter het laatste woord heeft. Dat moet ook zo blijven. Toch loop ik als gezinsvoogd soms tegen een aantal zaken aan; kinderrechters kijken heel juridisch en zijn vaak niet pedagogisch geschoold. Dit heeft soms onbegrijpelijke beslissingen tot gevolg.
Wanneer een kinderrechter een verzoek van de gezinsvoogd afwijst, bijvoorbeeld een uithuisplaatsing of verlenging daarvan, moet hij/zij zich goed realiseren dat BJZ eigenlijk de OTS wel kan afsluiten. Als gezinsvoogd ben je na een afwijzing alle gezag kwijt, je hebt immers de zaak “verloren”. De vaak toch al moeizame samenwerking komt verder onder druk te staan. Als gezinsvoogd heb je geen middelen om ouders of pupil te dwingen mee te werken. Hoewel de OTS een verplichte maatregel is, valt of staat het toch met samenwerken.
Ik hoop in deze casus dat Sven en zijn ouders er voor kiezen samen te werken met de gezinsvoogd, dat geeft uiteindelijk de grootste kans om van Sven zijn leven een succes te maken.
Reactie door Gezinsvoogd - februari 19, 2010 - 4:23 pm