Voor het raam vijf kauwende gezichten. Bijna mechanisch gaan de plastic vorkjes op en neer om stukjes warm vlees af te leveren bij continue doormalende monden. Het is druk als ik bij snackbar Dicke Mick, een houten barak naast het industrieterrein van Osdorp, een patatje bestel. Ik wacht en kijk hoe gekromde ruggen, opgetrokken schouders en diep voorovergebogen hoofden zich wijden aan het vullen van de maag. Als mijn patatje-met geserveerd wordt is plotseling iedereen weg. Alleen de lege frikadelbakjes, gespataderd met currysaus en uitjes, getuigen nog van het eet ritueel dat zich hier zoeven heeft afgespeeld.
‘Bouwvakkers’, vertrouwt uitbater Bert me toe, ‘die zijn hierachter bezig met de aanbouw van nieuwe kantoorpanden.’ (meer…)
<a
Ik moet zeggen dat ik door je e-mail ben verrast. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het je is vergaan na onze laatste ontmoeting. Hoe lang geleden is dat? Tien, twaalf jaar? Ik schrijf je dit bericht vanuit De Lucht, een wegrestaurant langs de A12 voorbij Zaltbommel ter hoogte van Bruchem. Mooie naam voor een wegrestaurant, De Lucht. Niet alleen vanwege de duidelijke associaties met de tussenstop zoals ‘een luchtje scheppen’ of ‘verse lucht voor de autobanden’, maar ook omdat wegrestaurants over het algemeen hele vluchtige plekken zijn. Je stopt er even, om wat te eten of te drinken. Maar de meeste mensen zijn altijd onderweg naar iets anders. (meer…)
Als je over de A2 richting Maastricht rijdt dan zie je het ineens in een ooghoek opdoemen, het oude bakstenen gebouw vlak achter het geluidsscherm. De zijgevel wordt verlicht door het rode schijnsel van een neonreclame. Maar voordat je beseft dat hier een kroeg stat, ben je het voorbij, dan wordt je aandacht getrokken door de fonkelende lichtjes beneden in het maasdal. Maar wij remmen af, we willen niet naar Maastricht. We willen meer weten over de kroeg en de huizen ernaast die niet zozeer naast de vangrail staan als wel tussen twee snelwegen ingeklemd zitten. De A2 is hier om de één of andere reden namelijk opgesplitst zodat er een langgerekt snelwegeiland is ontstaan. (meer…)
De snelwegsafari: Kunstenaar Melle Smets en filosoof Bram Esser verblijven vier weken onafgebroken in de wereld van benzinestations, wegrestaurants en bedrijventerreinen. Hun tocht leidt langs motels, praatpalen en homo-ontmoetingsplaatsen. Smets en Esser opereren vanuit een speciaal uitgeruste auto met slaapvertrekken, een dakterras met een acht meter hoge uitkijkladder en een loopbrug die beide safarigangers in staat stelt de greppels en sloten langs de weg over te steken.
De hamvraag die Smets en Esser zullen beantwoorden: is het mogelijk op de snelweg te wonen? En wat doet dat met een mens?
(meer op: www.snelwegsafari.nl)
De blauwe avondzon strooit haar laatste licht over de vlakte voor ons.
Pikzwarte wolken hangen als logge theatergordijnen in de lucht, klaar om weg te trekken en open te gaan voor de show van de nacht. Voorzichtig, als het opengaan van vele nachtbloemen, springen de lantarenpalen aan. Ze schijnen op niets, op het asfalt waar niemand rijdt. Overal om ons heen staan windmolens van honderd meter hoog, vliegtuigen op stokjes die voortdurend onderweg zijn, maar toch niet vooruitkomen. De Blauwe Boggel staat naast een hek waarachter de vleugels van nog te bouwen windmolens klaarliggen. De maat is onvoorstelbaar, onvoorstelbaar als ze met z’n drieën in een cirkelbeweging achter elkaar aanjagen.Toch gebeurd het overal om ons heen. We zijn over een nooit aangelegde snelweg aanbeland in een haven die nooit is gebruikt waarvoor ze is gemaakt. De vlakte voor ons had, net zoals de maasvlakte, vol moeten staan met zeecontainers. Inplaats daarvan zijn er windmolens geplant. We kijken door het windscherm van de Boggel naar buiten, naar de energie akker voor ons. Tussen de reuzen van windmolens valt ons oog op een priegelig groepje lantarenpalen die rondom een rotonde bij elkaar staan. Hierdoor is er een intieme lichtkamer ontstaan die een eigenaardige aantrekkingskracht op mij uitoefent. We stappen uit de Boggel en terwijl Melle de taak op zich neemt om de abstracte afmetingen van de aërodynamische windmolenvleugels in zijn lens te vangen, loop ik in de richting van de rotonde. De witte lijn op het grijze asfalt verdikt zich tot een dikke kaars die aansluiting zoekt bij de ovaalvormige vluchtheuvel. Aan het begin, het smalle deel van de heuvel, staat een dik geelkleurig paaltje waarop een blauw rond bord is gemonteerd met een witte pijl. Doe maar rustig, zegt die pijl, als je rechts blijft rijden, kan er niks gebeuren, Aan de andere kant van de vluchtheuvel, de brede kant, staat nog een bord. Deze is veel spitser en staat op een langere dunne paal. Pas op, zegt het roodomrande driehoekige bord. Maar als ik om me heen kijk zie ik niks dat op gevaar duidt. Er beweegt hier niks. Toch is er een vreemd zwiepend geluid. Hoog boven mij doet de windmolen de draaibeweging van de rotonde na. Ik kijk omhoog en wordt overvallen door een gevoel van angst en ontzag. De techniek heeft iets subliems. Iedere keer als de messcherpe punt van een vliegtuigwiek naar mij wijst, wil ik intuïtief wegduiken. Pas op, zegt het bord naast mij op de vluchtheuvel. Maar hoog boven het aardse geneuzel van bordjes en verkeersregels verheven, jaagt de molen onverstoord haar gewelddadige wieken door de lucht. Steeds meer bekruipt mij het gevoel dat de windmolen en de rotonde bij elkaar horen. De oneindige cirkelbeweging van de windmolen spiegelt en bevestigt voortdurend de gestolde ronde vorm op de grond. Zelfs de wegen die als draden aan de draaischijf vastzitten maken de beweging mee. Tegen de klok in. Zodra het draaien van de wieken ophoudt weet ik zeker dat het onkruid langzaam de overhand zal krijgen, dat de vluchtheuvels en de borden die daar opstaan zullen verbrokkelen en het blauwe ANWB bord dat precies in het midden staat, zal omvallen. Zonder de windmolens en de nog te bouwen energiecentrales is de Eemshaven verloren. Dan is daar ineens de Blauwe Boggel die de draaibeweging voordoet. Ik stap in en we schieten uit de baan van de lichtgevende rotonde de nacht in.
De snelwegsafari: Kunstenaar Melle Smets en filosoof Bram Esser verblijven vier weken onafgebroken in de wereld van benzinestations, wegrestaurants en bedrijventerreinen. Hun tocht leidt langs motels, praatpalen en homo-ontmoetingsplaatsen. Smets en Esser opereren vanuit een speciaal uitgeruste auto met slaapvertrekken, een dakterras met een acht meter hoge uitkijkladder en een loopbrug die beide safarigangers in staat stelt de greppels en sloten langs de weg over te steken.
De hamvraag die Smets en Esser zullen beantwoorden: is het mogelijk op de snelweg te wonen? En wat doet dat met een mens?
Het is nu tien dagen geleden dat we vertrokken op een missie om de Nederlandse snelweg op haar bewoonbaarheid te testen. Een simpel uitgangspunt dat we, toen we begonnen, nog niet tot in haar uiterste consequenties konden overzien. Het budget voorziet niet in hotel accommodaties en bovendien is het sociaal wenselijk eens in de zoveel tijd jezelf en je kleren te wassen. Praktische kwesties die uiteindelijk ook antwoord zouden moeten geven op een hele andere vraag die minder praktisch van aard is: Kan je leven op de snelweg? Of om het anders te omschrijven: is de snelweg een plek waar je betekenis aan kan ontlenen of ervaringen die een gevoel van thuis-zijn kunnen aanwakkeren?
Om dat te onderzoeken gaan we snelweg bewust op oneigenlijke wijze gebruiken. We gaan langzaam waar je normaal gesproken wordt opgejaagd. Door de snelweg als een doel op zich te beschouwen in plaats van een middel om ergens te komen, hopen we door het spiegelende asfalt te kruipen om de andere onzichtbare kant van de snelweg te beleven. De snelweg, hoe graag we ook op haar lelijkheid mogen afgeven, is de vooruitgang. Dit is de plek waarover we het hebben als we zeggen dat het beter gaat met ons land en de economie.’Van A naar Beter’ heet dat in Rijkswaterstaat jargon. Op de snelweg is de mens onderweg. Hij heeft z’n verleden achter zich gelaten, maar is nog nergens, hij doet zijn best om ergens aan te komen en iemand te worden. Wonen op de snelweg lijkt dan ook een onmogelijke opgave omdat men er niet kan zijn, de snelwegmens bevindt zich in limbo, een rusteloos bestaan in een tussenruimte van truckstops, knooppunten, snelwegrestaurants, bedrijventerrein en pompstations. De snelwegmens is telkens ergens anders zonder van zijn plek te komen. Hij zit achter het stuur terwijl de omgeving als een film op zijn voorruit wordt geprojecteerd. Ons leven als forens lijkt op ons leven als beeldschermwerker, waarbij we vanuit een zittende positie de wereld ervaren. Bij iedere stop die we maken beleven we een micromomentje, een praatje met een Duitser die nabij Veenendaal onderdelen voor zijn bood had gekocht, een vrachtwagenchauffeur die ons uitnodigt voor een biertje en zich verbaasd over de dure Roemeens trucks.
Maar we hebben ook momenten van spontane genegenheid en verzorging gekend. >> (meer…)
Recent Comments